De story van Oskaar

Voor u genoteerd op de Algemene ledenvergadering 2005.

 Ergens in Snellegem, temidden in de polders, weggestoken tussen de velden en de grote boerderijen, ligt er een hof, met heel wat grond en een schoon kiekenpark. In dat kiekenpark, een majestueuze haan met zijn harem, van het zelfde ras uiteraard. Ik geloof zelfs dat ik dat ras ergens van ken. Voor mij een reden om even te polsen. Het voorgaande heb je nodig om u mee op weg te helpen en het hiernavolgende te begrijpen. 

De story.

 Oskaar de castaar, raar maar toch waar!!!! Oskaar, een mannelijke Mechelse koekoek, afstammeling van een vroeger vechthoen, gekruist met de vlaanderse koekoek, op zijn beurt uit een kruising met een niet-verder gedefinieerd ras. Kortom een mechels hoen op zijn best, klaar voor de fok met raszuivere mechelse dames. Oskaar, een pracht van een dier, tam als geeneen maar éénhandig, pffff….

Hij wil enkel zijn baas erkennen.

Er bestaat ergens een (honden-) ras ook met dezelfde naam en afkomst. Zou het dan toch met de geboortegrond te maken hebben? Zoals het iedere rechtgeschapen haan betaamt, loopt Oskaar te pronken door de wei. Zijn dames scharrelen wat in het rond en heffen opeens de kop. De boerin van dienst komt aan het hek met wat scharrelvoer. Ze roept de dieren en meteen schieten die, nu heel wat minder, deftige dames naar de afsluiting. Ze pikken elkaar de veren uit het lijf om toch maar de beste brokjes te veroveren. Oskaar trekt zich van de hele situatie niets aan en kiest, nu de tijd er rijp voor is, het zogenaamde hazenpad. Dan gebeurt het!

 De boerin ziet het gebeuren en roept hard, om de hulp van haar knecht in te roepen. Deze komt toegesneld en meteen begint een klopjacht die moeilijk te beschrijven valt als “schoon”. Klompen en veren vliegen in het rond, gekakel en geroep van jewelste verjaagt alle wild, uren in de omtrek.

Tot overmaat van ramp schijnt Oskaar er ook nog mee te lachen. Hij blijft een eindje verderop staan en kijkt stiekem over de schouder. Wanneer zijn belagers dicht genoeg genaderd zijn schiet hij weer weg, als een pijl uit een boog. Waar die (5 kg) zware haan de fysiek haalt grenst aan het ongelooflijke. Na enkele tijd zijn de boerin en haar knecht dan ook bekaf, om in de dierentaal te blijven. Hijgend zijgen ze neer tegen de muur van de hoeve. En Oskaar?

Die loopt weer pronkend door de wei, maar deze keer bij de buren. Hij kraait er weliswaar bij. De boerin kijkt neerslachtig haar knecht aan en denkt: “Wacht maar tot HIJ thuiskomt”. Tegen valavond komt de “baas” thuis. Hij aanhoort het, met veel gevloek en getier, gepaard gaande, verhaal aan. Hij laat zich op een stoel vallen en trekt de klompen aan. De boerin begeeft zich naar de keuken om een pot op het vuur te plaatsen. De knecht schuifelt verlegen mee naar buiten. De boer “overziet” de situatie en ziet Oskaar dartelen aan de overkant van de wei.

 Op zijn gemak wandelt de boer naar de haan toe. Die is zich blijkbaar van geen kwaad bewust en komt zelfs tegemoet. Wanneer de boer het hekken passeert, opent hij dit en roept naar Oskaar: “Héwel waar moede gij zijn?”

Oskaar herkent de stem en meteen kan er een kraai vanaf. Hij komt naderbij gelopen zoals een stier naar een rode lap. De knecht gaat stiekem een stap opzij om in het kielzog van de boer (die toch een stuk groter is dan hijzelf) te komen. Kwestie van het gevaarte te vermijden. Bij het hek gekomen stopt Oskaar bruusk en kijkt naar “de baas”. Deze gaat door de knieën en streelt zacht de borst van Oskaar. Zacht prevelt hij: “Allee en nu naar uw meiskes.” Oskaar knikt stilzwijgend en begeeft zich statig naar het slaaphok. Daar aangekomen pruttelt hij wat en de dames begeven zich op hun beurt naar de slaapstee.

Na het sluiten van het hek keren boer en knecht(die nog steeds zijn onderlip laat hangen) naar de boerderij terug. De tafel staat gedekt en in het midden staat een grote pot "Vlaamse hutsepot”. 

Herman Jo