Bespreking van de New Hampshire

N.H. is een van de 50 staten van de V.S.A., in het Noordoosten gelegen met een oppervlakte van ongeveer 4/5 van België, naar onze begrippen dun bevolkt, met een bevolking, die vooral van landbouw en industrie leeft.

Toen de eerste R.I.R. ontstaan waren in de staat van die naam, werden deze dieren ook uitgevoerd naar N.H., waar vooral op legkracht en vroegrijpheid geselecteerd werd. Stilaan ontstond een eigen type met een zeer aparte kleur. De N.H. is dus ontstaan uit de R.I.R. zonder kruising met een ander ras, enkel en alleen in de zeer aparte kleur, die in België goudbruin en in Nederland roodbruin wordt genoemd. Wijzelf verkiezen de benaming goudbruin.

De N.H. doet in type iets aan de Barnevelder denken maar dan zwaarder en met een langere rug. De kleur is uniek in de hoenderwereld; alleen het Duitse dochterras, ontstaan uit kruisingen van Wyandottes, R.I.R. en N.H. heeft een gelijkaardige kleur.

Het gewicht van de N.H. wordt bepaald op 3,75 kg voor een volwassen haan. Het ras behoort dus tot de middelzware hoenders, de zgz. Legvleesrassen. Het ras moet dus om dit gewicht te bereiken, een behoorlijke breedte vertonen.

De kam is enkel, rechtopstaand en klein bij de hen; nochtans moet een licht overhangen bij de hen niet gestraft worden. Bij de haan volgt de kamhiel de neklijn. De ogen zijn oranjerood, de oorlellen rood. De benen zijn diepgeel, een iets lichtere tint wordt bij de leggende hennen aanvaard. Op de loopbenen van de hanen worden de zgz. “generaalstrepen” graag gezien.

Het ras is vrij vertrouwelijk en tezelfdertijd zeer levendig. De hennen leggen vrij goed, de eikleur is lichtgetint. De vleeskwaliteit is middelmatig.

De zeer aparte kleur vraagt om een nadere beschrijving. Wij verkiezen de naam goudbruin boven roodbruin. Typisch voor deze aparte kleur is dat het halsbehang een tint lichter is dan het zadelbehang bij de haan. Samen met de karmozijnrode schouders krijgen wij hier wat de Duitsers een ‘Farbendreiklang’ noemen. Bij de hen is het halsbehang ook lichter dan de lichaamsveren. De bevedering is aangesloten en moet glanzen. De donskleur moeten wij aanduiden als warm en buff. Soms komt zwart voor in de dons, wat natuurlijk fout is, maar geen uitsluitingfout. Zowel haan als hen hebben een zwarte staart, d.w.z. bij de bovenste staartstuurveren komt bij de hen een omzoming voor in de lichaamskleur; dezelfde omzoming komt bij de haan voor in de sikkels en bijsikkels. De slagpennen vertonen een zwarte tekening, die wij ook vinden bij hermelijnkleurige hoenders; deze zwarte tekening moet zwart zijn en niet grijs, noch witte aanslag vertonen. De juiste tekening is m.i. van secundair belang: cfr. C. Aalbers: “Wat niet zichtbaar is is van minder belang dan wat zichtbaar is”. De halstekening is bij de haan onbestaande, m.a.w. men mag aan de bovenkleur geen zwart opmerken. De hen daarentegen moet halstekening vertonen, een drietal rijen zwarte stippen zijn gewenst.

In Nederland is sedert enkele jaren een variëteit ontstaan waar de zwarte tekening vervangen is door blauw; deze (sub)variëteit heeft ook een iets lichtere, meer glanzende grondkleur.

Hiernaast is in Duitsland een witte N.H. erkend; m.i. zitten wij in België niet op de erkenning te wachten.

Rudy Theylaert

Keurmeesterdag 2004

PS: wit en blauwgetekend goudbruin zijn in België erkend. Vademecum, sectie 18, pag 35 - 73