GEZONDHEID EN ERFELIJKHEID

        Ook de gezondheid is het resultaat van een erfelijke aanleg en een invloed van de omgeving. Erfelijkheid levert dus meer dan alleen maar het uitzicht van ons konijn en zijn tentoonstellingskwaliteiten. Het bepaald ook ten volle hoe ons konijn zal overleven en hoe lang het zal kunnen presteren. Dat betekent ook dat we daar als fokker rekening moeten mee houden. We horen geregeld spreken over geregelde verliezen bij de fok. Die verliezen zijn dan niet het gevolg van enige epidemie zoals RHD of myxomatose, maar zijn heel dikwijls eigen aan de stam die men zitten heeft. Op dat moment moeten we vaststellen dat onze stam aan het einde van zijn mogelijkheden is. We moeten ons dan ook de vraag stellen waar de oorzaken van deze verzwakking liggen en in hoever wij er als fokker zelf toe bij gedragen hebben.

        Een eerste belangrijke regel waartegen we wel eens durven zondigen, is dat we wel eens durven zondigen, is dat we uitsluitend 100% gezonde dieren mogen inzetten. In besloten omgeving zal een minder gezond dier vlot overleven en zelfs nakomelingen produceren, maar het tast op termijn onze stam aan. Dat is het grote verschil met de echt natuurlijke omgeving. Daar is de selectie onverbiddelijk en gaan de zwakkeren er onverbiddelijk uit. Wij moeten er ons dus ook van weerhouden om dieren die minder gezond zijn, maar misschien wen een goede kleur hebben, in onze fok binnen te brengen. Daar wringt reeds heel dikwijls het schoentje. We zijn zo bezig met de uiterlijke kwaliteiten van onze dieren dat we soms wel eens de binnenzijde vergeten. We moeten blijven streven naar dieren die op termijn ook goed gezond blijven en in die zijn moeten we nu en dan eens een compromis sluiten. We moeten nu en dan eens durven afzien van overmoedige pogingen om een dier waarvan we zien dat het niet perfect gezond is toch in onze fokkerij in te passen. Dit geldt trouwens ook voor dieren met een verzwakt voortplantingsvermogen of een verminderde aanleg tot melkproductie voor voedsters.

    Om maar een voorbeeld te geven; ook blij kleurdwergen zijn nesten van 4 tot 6 vlot haalbaar, maar door slechte selectie moeten we heel dikwijls tevreden zijn met één tot twee jongen. Of misschien moeten we daar ook een durven beslissen om deze minder vruchtbare dieren uit de fok te halen en met vruchtbaardere op te starten. Misschien zal in het begin de uiterlijke kwaliteiten van onze dieren wat achteruitgaan, maar we moeten ons bewust zijn dat wanneer we op termijn anders geen jongen meer hebben, we ook niet meer naar een tentoonstelling moeten. Maar er zijn nog andere voorbeelden, waar we soms nog minder aandacht aan besteden. Wie houdt de uitwerpselen van zijn konijnen in het oog? Sommige dieren hebben geregeld spijsverteringsproblemen, die we duidelijk kunnen vaststellen als we er welbewust gaan op letten. Het is dan ook best om dergelijke probleemdieren uit de fok te halen, willen we er op termijn niet het slachtoffer van worden. Hetzelfde geldt voor dieren met ademhalingsproblemen. Wanneer je de dieren goed bekijkt zal je zien dat er sommige ademhalingsstoornissen hebben, al was het maar in de vorm van een soort kort ademhaling. Neem daarbij ook nog het probleem van olifantentanden. We aanvaarden dat als een probleem en we gaan zelden op zoek naar de oorzaak. Hetzelfde voor een gespleten penis. Die ram halen we misschien wel uit de fok, maar we moeten beseffen dat zijn ouders hem dat probleem bezorgd hebben. We maken dus nogal wat fouten op vlak van de gezondheid om op korte termijn dieren te fokken die een beker kunnen winnen. We houden nogal wat tijdbommen in onze fok uit schrik dat we een tijdje minder zullen presteren in de wedstrijden. Maar we kunnen de erfelijkheid ook positief gaan gebruiken. We moeten onze dieren geregeld goed bekijken en positieve kwaliteiten met elkaar paren. Ook dat moet leiden tot doorgefokte stammen en niet alleen de kleur en de pelskwaliteiten. Dat wil zeggen dat we de natuurlijke weerstand van onze dieren door een goede selectie kunnen verhogen.

        Ook in de rasfok geldt het principe; Wie niet weet waar hij naar toe wil, moet niet verwonderd zijn als hij op een andere plaats aankomt. Als we in onze rasfok uitsluitend uitgaan van het idee om zoveel mogelijk prijzen te behalen, dan zullen we ook heel dikwijls een prijs moeten betalen. In een eerste fase zullen dit de hoog oplopende kosten zijn voor allerlei medicatie en veeartskosten en op langere termijn het aankopen van veel dieren om de schijn hoog te houden dat het met onze stam goed gaat. Hou daarbij ook rekening dat sommige ziektefactoren niet onmiddellijk aan het licht zullen komen. ze zijn zogenaamd recessief en duiken alleen maar op als twee recessieve dieren aan elkaar gepaard worden. Daarbij wordt door het intense gebruik van medicatie ook veel problemen verstopt. Je kunt lange tijd de indruk hebben dat het goed gaat als je maar genoeg aan drankjes geeft. Daarbij verzwakken we ook de eigenlijke echte weerbaarheid van onze dieren. Ze komen wel in contact met ziekten maar krijgen ze niet en bouwen dan ook geen natuurlijke weerstand op. Uiteindelijk moeten we onze dieren met uitzondering van de echte gevaarlijke besmettelijke ziekten, niet overdreven beschermen. Ze worden er zo beter van. Dat betekent dat we terug moeten naar een gezonde natuurlijke selectie, waar de betere dieren met gezonde kwaliteiten worden overgehouden.

        De rasfok krijgt geregeld te maken met inteelt. Het is er een stukje mee verweven. Door het feit dat we bepaalde uiterlijke kenmerken verwachten van onze dieren, moeten we die kenmerken ook proberen vast te leggen. De beste methode daarvoor is nu eenmaal de inteelt. Deze inteelt heeft zoals we reeds in andere artikels schreven, bepaalde voordelen, maar houdt ook op vlak van gezondheid serieuze problemen in. We moeten bij inteelt echt vertrekken van zeer gezonde dieren, anders versnellen we de ziektes aan een hoog tempo met alle gevolgen van dien. We moeten dus ook zeer kritisch zijn voor allerlei afwijkingen bij dieren voor deze in de inteelt brengen. De inteelt misloopt dus in vele gevallen omdat we niet kritisch genoeg geweest zijn. Anders kan je wel via inteelt sneller problemen in je stam ontdekken. Vele afwijkingen zijn recessief, maar komen sneller naar voor als we korte familie met elkaar kruisen. Een ander probleem bij inteelt is dat we veel "gelijke" dieren proberen te maken met allemaal liefst zoveel mogelijk dezelfde kenmerken. Dat uniformiseren heeft voor gevolg dat wanneer er uiteindelijk iets gebeurd we ineens zeer veel problemen hebben. Want precies in de natuur zal eer een aanleg zijn om zoveel mogelijk verschillende types te hebben, die uiteindelijk meer kans hebben om te overleven, dan tientallen identieke.

        In elk geval moeten we weten dat de omgeving ook zijn invloed heeft op onze dieren. Een van de hedendaagse verschuivingen doet zich voor in de voeding. Denk maar in de sector van de voeding. Er is een evolutie geweest van een massa voeding maar arm aan voedingstoffen, zoals men vroeger dieren fokte, naar een beperkte hoeveelheid rijke voeding. Dit brengt mee dat de darmen van onze dieren zich aan die toestand gaan aanpassen. Ze worden gewoon om minder te eten en toch goed gevoed te zijn. Maar dit kan bij voedsters problemen geven. Als ze zogende zijn, hebben ze een grotere voedselbehoefte en gaan ze meer eten, maar dit kan dan weer tot problemen leiden met hun darmen. Het kan daarom interessant zijn om zeker de voedsters van jongs af aan voldoende hooi te geven, zodat ze toch behoorlijke massa's voeding leren verwerken. Daarbij weten we ook niet welke invloed bepaalde sproeimiddelen in de landbouw hebben. Graansoorten worden gesproeid om minder snel te groeien, want stro is commercieel niet echt interessant meer. De vraag is alleen, welke invloed heeft het eten van dat stro op onze dieren. Hetzelfde geldt voor de genetische gemanipuleerde voeding die meer en meer op de markt komt en waarvan we de echte invloed nog niet kennen. Welke invloeden er precies spelen weten we niet, maar we moeten vaststellen dat de laatste jaren een aantal vervelende ziektes in onze bestanden zijn gekomen. Denk maar aan RHD en de nog steeds onduidelijke dikbuikenziekte.

        In dit geheel kan je de vraag stellen wat je met de inentingen moet doen. Bij inentingen worden dieren in contact gebracht met een afgezwakte ziekteverwekker om zo een weerstand tegen deze ziekte op te bouwen. Sommige zeggen dat we die inentingen niet nodig hebben en dat we het spel natuurlijk moeten spelen. Er is nog geen enkele ziekte, zegt men, die alle konijnen heeft uitgeroeid. Er zijn er altijd die overleven. Dit loopt wel, maar het kan gaan ten koste van zeer veel verliezen, die in onze liefhebberij wel dramatisch kunnen zijn voor wie een zekere kwaliteit in zijn stam heeft. Anderzijds zijn tentoonstellingen precies de plaats waar veel dieren met elkaar in contact komen en dus met elkaars ziektes. Dat betekent ook dat ze daar een zekere natuurlijke immuniteit opbouwen, maar dat ze daar ook zwaar besmet kunnen geraken. Daarom is het enten een kiezen voor het minste kwaad in onze liefhebberij.

Besluit 

Luc Wante

Bron: Driemaandelijkse uitgave (Jul/Aug/Sep/2003) van GURAKO